Geen zelfstandig naamwoord in verband met Oekraïne of politici en journalisten slaan zedig een kruis in de vorm van een versleten adjectief: een afschuwelijke oorlog, zinloos bloedvergieten, enzovoorts. Vanzelfsprekend! En toch wellen die gemeenplaatsen naar de lippen van de spraakmakende gemeente. Poetin denkt zoiets als: “Moge God ons verlossen van de verrotting van de Europese volkeren en ons een frisse, vrolijke oorlog schenken, die als een storm door alle Rusland toekomende gebieden trekt, de bevolking schift en het scrofuleuze gespuis vertrapt …”
Het is een citaat uit de Geschichtliche Monatsberichte van juni 1853 en die storm moest in de oorspronkelijke tekst door heel Europa trekken. Dat laatste is misschien nog steeds een gedachte in het brein van Poetin. Tijdens de Eerste Wereldoorlog haalde de Duitse kroonprins diezelfde woorden aan. Wat een verontrustende gedachte dat het etnisch vernietigen zo diep in het Europese instinct is ingebakken. Intussen is dat ijskoude reptiel in het Kremlin misschien best lief voor kinderen en huisdieren.
Als ontwikkelde westerlingen voeren wij onze eigen kleine oorlog op het slagveld van het debat. Het verbaast me daarbij dat progressieven in grote meerderheid de voortzetting van de oorlog verdedigen, terwijl rechts het gebroken geweertje schoudert en het beter vindt om op de Russische eisen in te gaan dan nog meer hecatomben te offeren. Dat is een renversement des alliances, of liever gezegd een omkering van standpunten, vergelijkbaar met de houding tegenover de Europese Unie. In de jaren 90 beschouwden wij linksen dat hele Europa als een verwerpelijk neoliberaal conglomeraat van banken en hun loopjongens. Het tij van de tijden is toch iets wonderlijks, want tegenwoordig staat de tegenstander van de Europese Unie als een haatdragende nationalist te boek.
Mijn opvatting is dat de Oekraïense president Volodymyr Zelensky – een oorlogsheld – moet doorvechten met optimale steun van Europa en hopelijk Amerika. Anderzijds moet Zelensky – een kunstenaar en intellectueel – onderhandelen, want een hele generatie wordt uitgeroeid en straks zijn er een paar miljoen weduwen en wezen.
Wat weet ik ervan. Het is afschuwelijk, zinloos, enzovoorts.
Ik ben vijf keer in Oekraïne geweest. Voorafgaand aan de eerste reis, dertig jaar geleden, had ik uit mijn lectuur van Isaak Babel, Joseph Roth, Konstantin Paustovski en andere schrijvers mijn eigen Oekraïne samengesteld, waar verdwenen sjtetls op me wachtten, schimmen met slaaplokken, okerkleurige steden … Ik zou dus een reis naar het ware Europa maken.
In de sjofele hotels bleek je dankzij je schaamteloze valuta alles in tienvoud te kunnen kopen: tien flessen Russkaya, tien staatshorloges, tien bedden, tien hotelhoertjes. Maar het geheugen vertekent, het is een beetje scheefgezakt, net zoals de prachtige koopmanshuizen in de 19de-eeuwse straten van Odessa, Lviv en Tsjernivtsi, waarvan het schilferende pleisterwerk was geconserveerd dankzij de lege schatkist van de communisten.
In Kiev bezocht ik Aleksandr, die ik in Odessa had ontmoet. Hij woonde in een betonnen uitdrukkingsvorm van de oude dictatuur, die hier in Oekraïne was veranderd in een onduidelijke variant op de democratie. Na zes trappen verwelkomde een afgetobde vrouw ons met orthodoxe klanken en een uitdrukking van spijt om haar mond over de bolsjewieken, de democraten, haar huwelijk en de prijs van vlees en eieren.